Posts tonen met het label Architectuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Architectuur. Alle posts tonen

zaterdag 11 juli 2009

Voedsel uit de stad


Voedselproductie is vrijwel helemaal uit de stad verdwenen. Kunstcentrum Stroom in Den Haag wil met de manifestatie Foodprint ons daar weer van bewust maken. Weer vissen in de Haagse beek? Of tuinieren op balkons?

De Riviervismarkt, de Kalverstraat, de Botermarkt en de Brouwersgracht: namen van straten en pleinen die ons eraan herinneren dat de aanwezigheid van voedsel op straat heel gewoon was. Nu liggen voedingswaren meestal kleingesneden en abstract verpakt in de supermarkt, buiten ons gezichtsveld in alle vroegte aangevoerd door vrachtwagens met roetfilters.

Met de kunstmanifestatie Foodprint wil kunstcentrum Stroom in Den Haag ons weer bewust maken van de invloed van voedsel op de cultuur, de inrichting en het functioneren van steden en van Den Haag in het bijzonder. Twee jaar lang zijn er allerlei manifestaties, educatieve programma's en activiteiten te beleven. Daarmee wil Stroom onder meer de discussie aanzwengelen over de relatie tussen voedsel van stadsbewoners en zijn producenten. De voedselproductie terug brengen naar de stad of ten minste zichtbaar maken kan het bewustzijn van de waarde van voedsel versterken, dat is het doel. Ook kan het een bijdrage leveren aan een groene, gezonde, leefbare en duurzame stad.

Stadsontwerpers zouden ook veel meer rekening moeten houden met het belang van lokale voedselproductie, vindt Carolyn Steel, schrijfster van het boek Hungry City. Zij beziet als architecte steden vanuit het perspectief van de voeding. Overvloedig aanbod van goedkoop voedsel in de stad lijkt vanzelfsprekend, maar Steel waarschuwt dat dit in de nabije toekomst wel eens zou kunnen veranderen. Het is daarom belangrijk dat architecten en stadsplanners in hun ontwerp van steden ook aandacht besteden aan plaatselijke voedselvoorziening.

Voedsel behoort tot onze eerste levensbehoeften, betoogt zij onder meer. Toch zijn er maar weinig mensen die het grote belang van de stedelijke voedselketen onder de ogen durven te zien. Er hoeven namelijk maar een paar kanalen uit te vallen en de hele voedselproductie stokt. Om onze eigen onafhankelijkheid van lange distributiekanalen te verminderen, zouden we onze voortuintjes om moeten toveren tot moestuintjes.

Een team van kunstenaars, ontwerpers, agrariërs en andere deskundigen gaat voor Foodprint de komende twee jaar de voedselvoorziening van Den Haag onder de loep nemen. Interessant om te vernemen wat daaruit komt. Enkele geopperde ideeën zijn een tilapiakwekerij op de Binckhorst en moestuinen in de Schilderswijk. Dus waarom ook geen groentetuinen op platte daken? Of fruitbomen in het Haagse Bos? Je eigen vis uit de Haagse Beek opvissen? Of weer koeien op de Koekamp neerzetten?

Voedsel dat je zelf plukt of bij elkaar scharrelt heeft op een of andere manier een bijzondere waarde. De oogst van aardbeien in de eigen achtertuin reken ik tot de kleine genoegens van het leven. Alsof ik - net als mijn agrarische voorvaderen - weer even zelfvoorzienend ben.

Toch is voedsel gewoon al direct verkrijgbaar in de stad. Onlangs waren we in een verborgen oude kloostertuin in het stadscentrum, waar ze peren zo voor het plukken hingen. Het Haagse Bos staat vol met brandnetels, paardebloem, zevenblad en andere eetbare planten.

Eten wat de stad schaft, dat kan dus al. In Leiden wijst Barbara stadsbewoners de weg op haar blog Wildplukker en op haar kaarten van Eetbaar Leiden op Google Maps. Daar geeft ze precies aan waar vlierbessen, tamme kastanjes en eetbare paddestoelen te vinden zijn. Direct je voedsel bij elkaar scharrelen in bebouwd gebied, je moet er vooral even oog voor hebben.


Verder lezen:

Stel je dit artikel op prijs? Abonneer je dan op de nieuwe webposts van Ideeënmaker. Kies linksboven jouw rss-feeder en je ontvangt bericht als ik weer een nieuw artikel geschreven heb.

Share/Save/Bookmark

donderdag 23 april 2009

Nieuwe Energie: creatieve broedplaats

Waardevolle oude fabrieken krijgen regelmatig een tweede leven toebedeeld als bedrijfsverzamelgebouw, waarmee meteen het industriële erfgoed behouden wordt voor het nageslacht. "Een broedplaats van creatieve kruisbestuiving", heet het dan al snel. Zet een aantal culturele instellingen of creatievelingen bij elkaar en de hoog opbloeiende samenwerking doet de rest.

Of toch niet? Toen ik enkele jaren geleden voor deze reportage (blz 6-9, Oude fabriek zoekt bruisende huurder) de 'Witte Dame' in Eindhoven bezocht, bleek dat die hoge verwachtingen daar niet uitgekomen waren. Weliswaar zaten de Design Academy Eindhoven, de bibliotheek en nog enkele andere instellingen heel prettig bij elkaar in deze oude Lichtfabriek van Philips, maar iedereen deed toch voornamelijk zijn eigen ding. Van enige kruisbestuiving was geen sprake.

“Op de tekentafel is samenwerking een prachtige gedachte, maar in de praktijk houdt iedere instelling zich met zijn eigen dingen bezig”, zei één van de geïnterviewden. “Af en toe zijn hier gezamenlijke evenementen, maar er moet iedere keer wel iemand zijn die zich daarvoor vrij wil maken. De organisatie kost telkens enorm veel tijd.”

Nieuwe Energie in Leiden laat zien dat het ook anders kan. Deze oude spinnerij van een voormalige textielfabriek wordt bewoond door de onwaarschijnlijke combinatie van daklozen (450 personen hebben hier hun postadres!) en creatieve ondernemers, zoals tekstschrijvers, websitebouwers en fotografen. De ondernemers van het Huis van de Communicatie hebben al heel wat gezamenlijke projecten opgepakt.

Een mooie proeve van samenwerking is de placemat voor de dienbladen in het restaurant, die telkens door een andere vormgever gemaakt wordt. Daar staan allerlei nieuwtjes op, zoals over de onlangs gehouden bijeenkomst met lifehacker/connector Martijn Aslander. De bewoners twitteren erop los om elkaar op de hoogte te houden van elkaars werk. Unit 2, waarbij zelfstandige professionals op het gebied van communicatie samenwerken, is zelfs zo succesvol dat er binnenkort een extra eenheid bij komt.

Ik ben nu toch overtuigd van de meerwaarde van zo'n creatieve broedplaats. Binnenkort ben ik voor één dag per week één van de 20 communicatiespecialisten van Unit 2!


dinsdag 7 april 2009

De magie van Gaudí


Als Barcelona niet de duizelingwekkende bouwwerken van Antonio Gaudí binnen zijn stadsgrenzen had gehad, zou het stadsbestuur ze alsnog moeten laten bouwen. Want al is Barcelona van zichzelf al een mooie stad, de aanwezigheid van de architectonische hoogstandjes van Gaudí maken de stad tot een topbelevenis.

Ook als je voor de tweede keer in Parc Guell rondwandelt, zoals ik afgelopen weekeinde, raak je opnieuw betoverd door Gaudi's vernieuwingsdrang en zijn lef om zijn fantasie alle ruimte te geven.

Met zijn creativiteit heeft hij zijn opdrachtgevers tot wanhoop gedreven, omdat menig bouwwerk onbetaalbaar dreigde te worden. En voor de vaklui die zijn scheppingen daadwerkelijk moesten neerzetten, zal hij ook wel onuitstaanbaar zijn geweest. Maar dat heeft Gaudí er niet van weerhouden om door te gaan met zijn ogenschijnlijk onmogelijke projecten. Een ruggengraat van een prehistorisch reptiel als basis voor een rondlopende trap! Een rode drakenrug als dak van Casa Battló! Walvisgewelven als ondersteuning van het dak!

Toch heb je als toeschouwer het dat-kan-ik-ook-gevoel als je zijn kleurrijke mozaieken ziet. De stukgeslagen tegeltjes en flessenhalsen - recycling avant la lettre - die hij daarin verwerkte, zijn gemakkelijk voorhanden. En de vormgeving lijkt ook niet al te moeilijk.

Misschien is dat ook een verklaring waarom de bouwwerken van Gaudí zo'n geweldige aantrekkingskracht hebben op bezoekers van Barcelona. Je voelt in jezelf de drang ontspruiten om ook weer met kleuren, stukjes mozaïek en glas aan de slag te gaan. Het Bob-Ross-gevoel van een lovely verfstreekje hier en een happy little tree daar.

Gaudí wekt met zijn fantasievolle architectuur de creativiteit op van zijn toeschouwers. Dat is pas echt magie.


donderdag 11 september 2008

Beschermd bedrijfsgezicht

In onze straat staan zeker zestien verschillende typen woningen. Met uitzondering van het rijtje huizen dat een weggeslagen huizenblok uit de oorlog opvult, passen al deze gevels uit het begin van de twintigste eeuw wonderwel bij elkaar.

Allemaal één rooilijn, eenzelfde soort versieringen op de gevels en balkonhekjes. Maar omdat we allemaal een net iets andere voordeur en raampartijen hebben en sommigen zelfs pronken met een erkertje of een elegant dakkapeltorentje, heeft ieders woning toch iets heel individueels. En dat is heel prettig.

Ondernemers kennen dit soort primaire behoeften ook. Als buitenstaander denk je wellicht dat al die bedrijfsdozen van geribbelde staalplaten en de protserige glaspaleizen op elkaar lijken, maar hun eigenaren weten wel beter. De een onderscheidt zich met een plastic luifel, de ander heeft een speciaal parkeerplaatsje ingericht voor 'onze klanten' - en dus niet voor de klanten van zijn buren. Allemaal hoogst persoonlijk vormgegeven.

Dat ondernemers echt diepe gevoelens hebben voor hun eigen pand, mag je niet onderschatten. Een grafisch ondernemer vertelde laatst dat hij nooit van zijn leven het pand van zijn concurrent zou willen overnemen, een paar honderd meter verder op hetzelfde bedrijventerrein. Al was dat pand uit oogpunt van productie net zo geschikt als zijn eigen pand, hij zou zich in het pand van zijn concurrent nooit thuisvoelen. Iedere vrije ondernemer heeft simpelweg last van ijdelheid, bekende hij.

Wat wél kan op een bedrijventerrein is aaneengesloten bouw van hallen, waaraan iedere afzonderlijke ondernemer toch zijn eigen draai kan geven. Stedebouwkundige Ben Kuipers bedacht zoiets voor een terrein nabij de rijksweg A12. Steensoort en rooilijn zijn voor iedereen hetzelfde, maar met glaspuien, erkers, deuren en andere opsmuk kan iedereen zijn goddelijke gang gaan. De strakke gevel zorgt voor samenhang. En als er met algemeen bruikbare afmetingen gewerkt wordt, is er dikke kans dat een ander bedrijf het pand wél wil overnemen als het eens te koop aangeboden wordt.

Hallen van ijzeren platen veranderen na een jaartje of 30 in afgedankte bouwwerken, maar de aaneengesloten bedrijfspanden staan er misschien over 100 jaar nog wel. Een soort industriële stadswanden, die dan een erfgoedstatus krijgen. Net als de huizen in onze wijk, die nu beschermd stadsgezicht zijn.

dinsdag 11 september 2007

Waanzinnige werkplekken

Ik geef toe: Mahatma Gandhi, moeder Theresa en Nelson Mandela verrichtten hun grootse daden niet omdat ze zulke leuke arbeidsvoorwaarden hadden. Maar anderzijds zijn grauwe kantoorgebouwen bepaald niet de uitgelezen plekken die werknemers uitdagen tot meeslepende vernieuwingen.

Daar kan best wat aangedaan worden. Want zoveel aandacht er besteed wordt aan woninginrichting, zo weinig energie wordt er nu gestoken in de vormgeving van de binnenkant van kantoren. Doorgaans gaat het alleen om de plaatsing van het gebruikelijke kantoormeubilair, alles arbotechnisch verantwoord. Het liefst in de vorm van efficiënte flexwerkplekken, waarbij zelfs helemaal niets persoonlijks meer op de wanden gehangen mag worden. De clean-desk-policy als hoogste goed. Keerzijde daarvan is dat schoonheid, uitdaging en plezier bij de inrichting een ondergeschikte rol spelen, terwijl we op de werkplek per saldo heel wat meer uren doorbrengen dan in ons eigen huis!

Ik ben ervan overtuigd dat een stimulerende werkomgeving wel degelijk een belangrijk verschil kan maken in de motivatie en werklust van mensen. En dat zit 'm lang niet altijd in de architectuur (daar zie je als werknemer binnen immers weinig van), maar wel in de vormgeving binnenskamers. Er zijn talrijke manieren om je kantoor te pimpen tot iets vrolijks en leefbaars. Maar zeker zo belangrijk is het groen. Uitzicht op bomen of andere groene ''stoffering" schijnt werknemers meetbaar meer inspiratie en werklust te geven.

Nog wat andere ideetjes:
  • een kookeiland op het kantoor, waar wisselende clubs collega's kunnen kokkerellen;
  • een 'geen-deuren-beleid' maar afscherming van werkplekken met schuivende wanden ter bevordering van de open cultuur;
  • apart ingerichte plekken om elkaar te ontmoeten, te lezen, te denken en te mediteren.

woensdag 22 augustus 2007

De teloorgang van een bijna-monument

Het ministerie van Financiën wordt binnenstebuiten gekeerd. Nu de renovatie in volle gang is, kijken voorbijgangers dwars door het geraamte van betonnen palen naar de kale binnenkant van het gebouw. Maar ook als de bouwwerkzaamheden volgend jaar voltooid zijn, zal het gebouw zich meer bloot geven dan ooit. De hoekpunt en de bovenkant worden namelijk voorzien van glazen voorzetstukken (illustratie linksboven). De ene binnentuin krijgt een glazen overkapping, de andere wordt een openbare groene ruimte (rechter illustratie). Op de Korte Voorhout komt bovendien een doorgang, zodat de binnentuin in de traditie van de Haagse hofjes komt te staan. Het gesloten karakter van het gebouw wordt er letterlijk mee opengebroken.

Maar vooral past het gebouw naadloos in een nieuwe traditie: open, krachtige en effectieve bouwwerken, die het gewenste imago van overheidsinstellingen dienen uit te stralen. Niet voor niets zijn het gebouw van de Tweede Kamer en de nieuwe ministeries van VROM en OCW toonbeelden van transparantie.

Historische blunder
Maar waarom is er in dat licht niet radicaal gekozen voor vernieuwing in plaats van het opnieuw aankleden van een betonnen skelet? Met het neerhalen van het oerlelijke gebouw van Financiën had de rijksoverheid namelijk niet alleen een geweldige kans gehad om een toegankelijk en aansprekend nieuw gebouw te presenteren bij de entree tot de Haagse binnenstad, maar ook om een historische blunder recht te zetten. Nog even wachten, en dan kan ook de Amerikaanse ambassade hopelijk neergehaald kan worden. En dan krijgt het Voorhout eindelijk weer helemaal zijn stijlvolle allure terug.

De schijn van geldsmijterij was zeker een argument voor het departement om het beton toch te laten staan. De overheid dient zuinig om te gaan met geld uit de schatkist, zeker als je als ministerie van financiën daarvan zelf de bewaarder bent. Daarnaast was de oorspronkelijke aanleiding voor de renovatie alleen een probleem met de klimaatinstallatie. Dat probleem bleek zo ingrijpend, dat een beperkte opknapbeurt niet afdoende was. Maar een heel gebouw neerhalen om tot een betere klimaatbeheersing te komen, was ook teveel van het goede.


Achteloze omgang
Wat bijna niemand weet, is dat er achter de schermen ook een heftige discussie is gevoerd over schoonheid, smaak en cultureel erfgoed. Het oude ministerie van Financiën mocht dan ogen als een foeilelijke grijze vesting, Jo Coenen keek er in zijn functie als rijksbouwmeester (2000-2004) met andere ogen tegenaan. Het robuuste gebouw is in Nederland namelijk één van de weinige bouwwerken in de stijl van het Brutalisme (afgeleid van de Franse term voor ruw beton: beton brut). Het ontwerp van de toenmalige rijksbouwmeester Jo Vegter en RGd-architect Mart Bolten - dat in 1975 opgeleverd werd - geldt zelfs als een van de beste voorbeelden van deze bouwstijl in Nederland.
Omdat Coenen zich zorgen maakte over de achteloze omgang met naoorlogse architectuur, selecteerde hij het bouwwerk als een van de overheidsgebouwen met een hoge architectonische en consistent doorgevoerde waarde die een beschermde status verdienen. Ook de door Mien Ruys ontworpen binnentuin, met de voor haar zo karakteristieke bielsen en vijverpartijen, is volgens Coenen het behouden waard.

In 2001 besloot het ministerie van Financiën tot renovatie. Onder politieke druk werd de renovatie uitgevoerd in de vorm van een PPS-project. Het ontwerp, de bouw, financiering, onderhoud en uitvoering werden volledig aan marktpartijen uitbesteed. Met DBFMO (Design Build Finance Maintain Operate) gooide het departement in de aanbestedingswereld hoge ogen.

Ontzag
Maar ja, die architectuur. Jo Coenen had het gebouw ondertussen wel het predikaat van ‘bijna-monument’ bezorgd. Dit was weliswaar geen wettelijke status, maar hiermee sprak Coenen wèl de verwachting uit dat het gebouw bij het bereiken van de 50-jarige leeftijd de monumentenstatus zal krijgen. Het was dus zaak het gebouw niet voortijdig te verknallen. “De ruwe stijl, onder meer gewapend beton dat in het zicht blijft, heeft eerlijke uitstraling dat ontzag inboezemt”, zei minister Sybilla Dekker in juli 2006 in een toespraak. “Dat karakter moet tijdens de renovatie van het gebouw behouden blijven.”

Niet dus. Want de enorme metamorfose die het gebouw nu ondergaat, lijkt die uitspraak volledig te ondergraven. Waar het brutalisme zich kenmerkte door het onbedekt laten zien van ruwe materialen, worden er nu glazen constructies aan het pand toegevoegd die er een hele andere uitstraling aan geven. Een zilverkleurige verf bedekt de grauwe, maar zo typerende betonkleur. Zelfs de typerende vijvers van Mien Ruys met hun uitgekiende reflecties en bijpassende kunstwerken (de foto hieronder) zijn volledig verdwenen.

Van een gesloten vesting wordt het gebouw nu helder, transparant, licht en luchtig. Het naar binnengekeerde karakter verdwijnt. Dat past inderdaad in de tijdgeest van 2007, maar met brutalisme heeft het niets meer te maken.

En de rijksbouwmeester? Die trok zich in oktober 2004 terug uit het proces, omdat de architectonische kwaliteit in deze vorm van aanbesteding niet kon worden gewaarborgd. Mels Crouwel nam zijn plaats in als nieuwe rijksbouwmeester.

Onenigheid
Inmiddels heeft het aannemersconcern Safire (dat staat voor Samen Financiën Renoveren!) een Europese nominatie gekregen voor de innovatieve en duurzame wijze, waarop de renovatie gestalte heeft gekregen. Maar het is ook een contractvorm die met name bedoeld is om projecten voor minder geld uit te voeren. In het huidige model heeft rijksbouwmeester onvoldoende mogelijkheden om zijn opvattingen in te brengen, concludeerde Heleen Geerligs in haar afstudeeronderzoek ‘De rijksbouwmeester in DBFMO-projecten’. Bij deze wijze van aanbesteden kiezen de marktpartijen de architect. De rijksoverheid heeft geen enkele stok achter de deur om de kwaliteit van de architect af te dwingen.
Het nieuwe ontwerp oogt open en transparant, maar ondertussen is de onenigheid over de architectonische betekenis van het gebouw dus onder de tafel geveegd. Zo weerspiegelt het nieuwe gladgepolijste pand toch nog zijn werkelijke innerlijk. Want de 'brute eerlijkheid' van het beton zal in het gerenoveerde gebouw grotendeels weggewerkt zijn achter zakelijk glas en zilververf.

zondag 21 januari 2007

De ontdekking van het ultieme boek

Harry Mulisch zal nooit mijn favoriete schrijver worden, maar is wel de schrijver van mijn favoriete Nederlandse boek. Dat bedacht ik mij ter gelegenheid van de verkiezing van het beste Nederlandse boek van NRC Handelsblad en NPS. Hoe zit dat?

Mulisch ken ik als de schrijver van de geniale overkill. Van de boeken propvol verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog, de klassieke oudheid, muziek, wetenschap en nog veel meer. Het boek Het Stenen Bruidsbed is bijvoorbeeld een mega-puzzel, die je eerst moet ontcijferen voordat je tot de diepere betekenis kunt doordringen. (In mijn middelbare schooltijd dacht ik zelfs dat een boek pas literair genoemd mocht worden als je er dit soort decodeer-exercities op los kon laten. Maar later heb ik gelukkig ontdekt dat die gedachte een groot misverstand is. )

In ieder geval heb ik het werk van Mulisch daarna lange tijd niet meer aangeraakt. Wat niet moeilijk was, want ieder openbaar optreden van deze auteur bevestigde meer en meer wat een enorme betweterige arrogante man dit is. Erudiet, maar hij weet het zelf helaas ook zo goed.

Ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag had hij zijn Magnum Opus geschreven. In 65 hoofdstukken. Hoe hoog kan je grootheidswaan reiken, dacht ik toen nog. Het vormde voor mij in ieder geval geen aanmoediging om dit kloeke boek nu eens te gaan lezen.

Toen ik dat enkele jaren later uiteindelijk toch deed, ging ik echter snel door de knieën. Dit boek was niet alleen een ontzagwekkende aaneenrijging van wetenschap, geschiedenis, kunst, religie en hedendaagse geschiedenis, maar ook nog eens een geloofwaardig en uiterst leesbaar verhaal over mensen. Liefde, de diepe vriendschap tussen twee mannen, de verhouding tussen vader en zoon, alles zat er in. Drama, psychologie en spanning in een kunsthistorische setting, waar geen Dan Brown tegenop kan. Het voert je als lezer in een wervelende reis van het Haagse Statenplein - thuishaven van de über-regentenfamilie Donner - naar Cuba, Westerbork, Rome, Jeruzalem en ... de ruimte. Bovendien verwerkte Mulisch ook nog eens een actuele morele probleemstelling in zijn boek, namelijk de wijze waarop de mensheid omgaat met de wereld.

Al heb ik een veel grotere waardering voor de schrijfster Hella Haasse, die ik veel inspirerender vind en minstens zo erudiet. Het ultieme boek heeft zij echter niet geschreven. Het beste boek van de Nederlandse literatuur is zonder twijfel De Ontdekking van de Hemel.

zaterdag 7 oktober 2006

Een beetje Central Park

Wie vanuit Den Haag Centraal Station naar de Turfmarkt wandelt, loopt soms zo in de vangarmen van de tramcontroleurs. Om de overkant van de straat te bereiken, moet je immers het tramperron dwars oversteken.

Hoewel de auto's tegenwoordig weggeleid worden via de Koningstunnel, lopen verkeersstromen van trams, passagiers, forensen en gehaaste fietsers hier nog steeds dwars door elkaar. Met alle chaotische taferelen van dien. Er hangt zelfs een bordje van de LF11 Prinsenroute, de fietsroute tussen Den Haag en Breda. Maar welke recreant zou hier in hemelsnaam willen fietsen?

Al jarenlang is het gebied in en om het station het toneel van grootscheepse bouwwerkzaamheden. De ene bouwput verdwijnt, de andere komt op. Molshopen, maar dan omgekeerd.

Grote OV-terminal
Het komende decennium zal dat niet veranderen. Zo wordt de stationshal getransformeerd tot een enorme OV-terminal, waar ook RandstadRail en de hogesnelheidstrein onder dak gebracht worden. Van binnen en buiten krijgt het station een nieuw gezicht: opener en transparanter. Het wordt een station met vier gezichten, zonder voor- en achterkant. Een doorgangsroute moet het zijn, maar ook een aangename verblijfsruimte. Ik betwijfel het. De gloednieuwe trap die het station met het nieuwe tramplatform verbindt, ligt in ieder geval al bezaaid met vuilnis.

Vernieuwing roept steeds nieuwe vernieuwing op. Zo gaf de Hoftoren het gebied een markante aanblik, maar nu steekt het gebouw van ABN-Amro er zo grauw bij af. En dat nog wel op een zichtlocatie. Dat mag vast niet lang duren van de stedebouwkundigen.

Ook de blokvormige gevel van Stichthage geeft een verstorende aanblik aan de skyline van ranke torens. Geen nood, in Den Haag zet je er gewoon een nieuw gebouw voor. Het Koningin Julianaplein wordt de komende jaren volgebouwd met een zwierig gebouw (''de Spin"), bedacht door O.M.A., het bureau van architect Rem Koolhaas. Vanaf de overkant van het Malieplein kan de toeschouwer tussen zijn oogharen door zich straks in het beroemde Central Park van New York wanen.

Nieuwe centrum Den Haag
De voortdurende vernieuwingen moeten enkele stedebouwkundige mislukkingen uit het verleden goed maken. Landelijk en ook internationaal is er aardig wat belangstelling voor het nieuwe centrum van Den Haag. Wie hier komt kijken, krijgt namelijk een aanschouwelijke workshop 'Verbouwen tussen bestaande bebouwing door'. Terwijl er compleet nieuwe gebouwen verrijzen, moeten duizenden ambtenaren, reizigers en bewoners toch gewoon hun dagelijkse routines afwerken.

Het gebied heeft zeker allure gekregen. Maar het idee om de gebouwen open en transparant te maken, is daarentegen nooit uit de verf gekomen. De bewaking en beveiligingsmaatregelen rukken steeds verder op in het stationsgebied. Overal zijn camera’s verschenen, die plegers van overlast of erger in de gaten houden. OCW heeft draaideuren laten installeren om ongewenste bezoekers te weren. De baliemedewerkers zitten tegenwoordig achter een hoog hek. Her en der heeft de Resident diverse binnenpleinen, maar die zijn afgesloten voor het publiek. De straten zien er ontoegankelijk uit met slagbomen, alleen te bedienen voor expeditie-vrachtwagens. En een deel van de straten wordt tegenwoordig beveiligd met camera's.

Ook in en om het Centraal Station neemt het aantal controleurs toe. Hier zullen de komende jaren bovendien nog vele schuttingen en hekken staan, waarlangs passagiers hun weg moeten vinden. Prorail wil de werkzaamheden wel zichtbaar maken voor het publiek door bijvoorbeeld kijkgaten in bouwschuttingen te maken. Kunnen de mensen toch zien wat er allemaal gebeurt achter die bouwgevels. Ook lekker transparant.

dinsdag 3 oktober 2006

Veiligheidsregels

Een vrije doorgang moest het worden waar burgers en volksvertegenwoordigers elkaar spontaan tegen het lijf konden lopen. Zo stelde architect Pi de Bruijn de Statenpassage van de Tweede Kamer zich oorspronkelijk voor.

Uit veiligheidsoverwegingen is het daar helaas nooit van gekomen. Toch was het nooit moeilijk om deze ruimte te betreden. Dat gold trouwens ook voor het afgeschermde gedeelte waar Kamerleden hun werkkamers hebben. Als vaste Kamerbewoner zwaaide je een keer naar de portier en je kon een bezoeker van buiten vervolgens moeiteloos alle sluipgangen van het Binnenhof laten zien.

De moord op Pim Fortuijn, het binnendringen van een dwaze Greenpeace-activist en de terreurdreigingen na 11 september hebben een heleboel veranderd in deze tempel van de democratie. Wel goed hoor, want het was voor onverlaten wél erg makkelijk om vrijuit in werkkamers van parlementariërs te kunnen rondneuzen. Of erger.

Maar langzamerhand verandert ons parlement toch in een soort Knesseth. Toen ik er gisteren weer eens was, stonden bij de entree zeker zes camera's op binnenkomende bezoekers gericht. Vertegenwoordigers van de pers worden hier op dringende toon naar een andere ingang gedirigeerd om zich te legitimeren, want 'de afdeling voorlichting wil precies weten wie er binnen is'. Ook moet je tegenwoordig door een veiligheidspoortje en je tas laten scannen. Niet dat dat veel uitmaakt, trouwens. De beveiligingsmedewerker was zo landerig, dat hij geen enkele lust had om te controleren waarom de alarmbellen bij mijn doorgang eigenlijk afgingen.

Zijn collega achter de balie was vervolgens heel verbaasd dat ik een dagpas kwam vragen. "Heeft u uw eigen pas niet bij vandaag?" Waarop het weer mijn beurt was om erg verbaasd te zijn. Eh, nee! Ik ben hier al tweeënhalf jaar weg, dus ik heb geen eigen pas meer!
Wel goed om te merken trouwens dat bewakers heel goed zijn in het onthouden van gezichten.

zaterdag 17 december 2005

De witte verbindingslijn

Nooit heb ik er bij stilgestaan dat Den Haag een buitengewoon groot aantal witte gebouwen heeft. Verander je focus en je wereldbeeld verandert mee.

Want nu zie ik ze ineens overal: sneeuwwitte, grauwwitte, strandhuiswitte of slagroomwitte exemplaren. En dan zijn er ook nog de vele witte kozijnen en spekstenen in de negentiende-eeuwse herenhuizen.

Op die vele witte gebouwen ben ik geattendeerd door het boekje Kleurroute Den Haag, dat uitgegeven is door de Stichting Kleur Buiten. Met die witte gebouwen blijkt iets fascinerends aan de hand te zijn. De meest opzichtige gebouwen die deze kleur dragen, behoren namelijk grotendeels toe aan de zogeheten residenten: zij die Den Haag als verblijfplaats hebben, niet als woonplaats.

Paleis Noordeinde van de Koningin is daar een duidelijk voorbeeld van, maar ook andere villa's en paleizen van kolonialen en ambassadeurs. Zelfs nieuwkomers kiezen voor een witte zetel, zoals de prominente hagelwitte Koffiezetter nabij de Utrechtsebaan laat zien. In dit voormalige KPN-gebouw zetelt nu het Internationaal Gerechtshof. Inderdaad, alweer een resident.

De Haagse bevolking hanteert daarentegen andere kleuren. De 'eigen' gebouwen zijn vooral grijs, bruin en rood. Ironisch is dat de gemeente Den Haag uitgerekend als stadhuis een ultrawit gebouw liet neerzetten. Dat de bevolking die kleur helemaal niks vond, blijkt wel uit het feit dat het kolossale gebouw al snel de bijnaam IJspaleis gekregen heeft.

De Stichting Kleur Buiten pleit ervoor om de 'Haagse witten' een prominente plaats te geven in het stadsbeeld om zo de losse onderdelen van deze gefragmenteerde stad met elkaar te verbinden. In de open ruimte tegenstellingen zien en met elkaar in verband brengen, dat kan dus ook met zoiets simpels als een witte kleur!

Verder lezen over het kiezen van een focus:

donderdag 1 december 2005

Mooiste plekjes van Den Haag

1. Lange Voorhout
In het voorjaar: het beroemde paars-witte krokustapijt.
In de zomer: de Beeldententoonstelling, de antiekmarkt en de Italiaanse ijscoman (deze plek doet me dan altijd erg aan Frankrijk denken: de houten terrasstoeltjes, hotel Des Indes, de brede avenue, de beelden.
In de herfst: een tapijt van goudgele bladeren (met een doorkijkje naar het al even goudgele hotel Des Indes).


2. De Hoftoren (OCW)

Met zijn 142 meter de hoogste 'skyscraper' van Den Haag. Binnen zijn allerlei aparte ruimten, zoals gebedsruimten, sportzalen en 'woonkamers'. Maar bovenal heb je er een prachtig uitzicht over de stad. De toren van het hoofdkantoor van RWS is trouwens een goede runner-up. Van boven zie je pas echt goed hoe groen Den Haag is. En dat je vanuit de stad een direct uitzicht op zee hebt, is helemaal fantastisch!

3. Klein Zwitserland
Sportvelden die in een duinkom liggen: een verborgen oase midden in de stad.

4. Museum Beelden aan Zee
Een stille plek, vooral bijzonder vanwege het uitzicht op het helmgras en de achterliggende golven (je zou niet zeggen dat je hier vlak bij de drukbezochte boulevard van Scheveningen bent). En de mooie beelden natuurlijk.

5. Park Sorghvliet
De historische tuin die bij het landhuis van Jacob Cats hoorde. Dat huis is nu bekend als het Catshuis, ambtswoning van onze premier, maar Cats noemde het Sorghvliet. Alle zorgen van de dichter vervlogen er kennelijk. En dat is nog steeds zo. Prachtige oude bomen, romantische 17e eeuwse boogbruggetjes over de Haagse Beek, mooie open weiden vol vlinders.

6. Oud Scheveningen

Niet de drukke en verpeste boulevard, maar het oude vissersdorp dat landinwaarts ligt. Nostalgische 19e eeuwse huizen met veranda's (alsof Eline Vere hier ieder moment voorbij komt wandelen). Ook prachtig: het Westbroekpark met de rozentuin en de nabijgelegen villa's, vooral die met de organische architectuur van Rudolf Steiner.